Elisabeth de Robiano: de stichteres

Elisabeth de Robiano, geboren in Tervuren op 25 Juli 1773 werd eenvoudig en streng opgevoed door haar ouders. Dit alles  binnen een echte familiegeest en trouw aan de moederkerk van Rome, twee kenmerken van de oude adel

Ze leefde in de tijd van de Brabantse Omwenteling (afrekening tussen de oude standen en het Oostenrijks bewind) en de Franse Revolutie (einde van het Ancien Régime).

Al vrij vroeg meende ze een kloosterroeping te hebben, maar ze was onzeker. Na het overlijden van haar vader, was zij een echte steun en toeverlaat voor haar moeder die ze hielp bij de opvoeding van de andere vier kinderen. Ze was voornaam, innemend, fijn opgevoed; ze was vroom, zachtzinnig, betrouwbaar en goed voor de armen.

Eind 1795 was het hoogtepunt van de crisis nadat de Fransen de Ostenrijkers definitief hadden verjaagd en België letterlijk werd opgeofferd aan de bezetters. Er was hongersnood, stijgende levensduurte, algemene werkloosheid en plunderingen alom. Er was veel te doen voor de armen en dat deed Elisabeth ook.

Op 14 mei 1799 trad Elisabeth de Robiano in het huwelijk met baron Charles Lecandèle. Kort na het huwelijk nam het echtpaar Robiano-Lecandèle hun intrek in het kasteel te Gijzegem.

Altijd heeft Elisabeth aandacht gehad voor de groten en de kleinen: De groten waren de adel, waarmee ze met elke vezel van haar lichaam verweven lag, en dat was ook de Kerk. De kleinen waren het personeel, de mensen van het dorp, de noodlijdenden.

Het grootste deel van haar tijd verbleef Elisabeth de Robiano in het kasteel te Gijzegem. Daar kwam ze in contact met de bisschop De Broglie die haar geestelijke leider werd. Hij steunde haar in haar inzet voor de armen en haar financiële hulp aan de jezuïeten die in die tijd op de vlucht waren voor de troepen van Napoleon. Zij ondersteunde eveneens haar beschermelingen die dicht betrokken waren bij de  Noord-Amerikaanse missie van de jezuïeten.

Tijdens de economische crisis op het eind van de Franse tijd en het begin van het Hollands bewind, heerste opnieuw grote armoede.

In 1812 wou ze een hospitaal openen, maar de zieken wilden liever in hun eigen huis verzorgd worden door de barones.

Wat later was er sprake om een bejaardentehuis op te richten. Ook deze poging mislukte.

Om tegemoet te komen aan de problemen van armoede en gebrekkig onderricht van de arme volksklassen, kenmerkend voor de moeilijke socio-economische situatie in de streek rond Aalst, stichtte ze aangemoedigd door monseigneur de Broglie een school (type van de spin- of werkscholen) voor arme kinderen.

De school werd gevestigd in een huis van de familie Lecandèle in de Dorpsstraat. Voor het onderwijs in de armenschool deed Elisabeth de Robiano een beroep op zuster Barbe Cool uit de Congregatie van de Zusters van Onze-Lieve-Vrouw ten Bunderen in Moorslede. Zuster Barbe Cool werd voor één jaar naar Gijzegem gestuurd en kreeg er bij de onderwijstaken steun van een leerlinge uit Moorslede, Sophie Engels, en een meisje uit de buurt, Marie Vermassen.

De spinschool kende onmiddellijk succes. Niet alleen arme meisjes en jongens, maar ook kinderen uit de meer welstellende klassen boden zich aan om de lessen te volgen. Zij werden als betalende leerlingen aanvaard om de kosten van het armenonderwijs en het onderhoud van de zustergemeenschap te helpen dragen.

In 1818 vond een officiële plechtigheid plaats in het kasteel waarbij de congregatie werd gesticht met als eerste gemeenschap Gijzegem.

De jonge communauteit kreeg in 1819 een eigen leefregel, opgesteld door de jezuïet Vincent Le Maître en gebaseerd op de spiritualiteit van Sint-Vincentius a Paulo. De Congregatie, Zusters Sint-Vincentius a Paulo, “Dienstmaagden der Armen” van Gijzegem, was gestart.

Datzelfde jaar legden de eerste zusters, onder leiding van zuster Cools, die intussen beslist had in Gijzegem te blijven, hun kloostergeloften af. De communauteit telde toen tien novices. In 1823, vijf jaar na de stichting van de armenschool, waren er reeds 45 zusters ingetreden! De expansie van de leerlingen- en kloosterpopulatie maakte een verhuis naar een groter complex in de Stationsstraat in 1825 noodzakelijk.

De expansie van de Congregatie nam pas echt een hoge vlucht na de Belgische onafhankelijkheid. In 1835 konden de eerste zeventig zusters hun eeuwige geloften afleggen. Nadat de stichteres zich geleidelijk aan uit het bestuur teruggetrokken had, werd zuster Marie-Louise De Wilde als eerste algemene Overste van de congregatie verkozen.

Bij de dood van de stichteres op 8 september 1864 telde de congregatie 222 zusters en 32 gemeenschappen, verspreid over 4 Belgische bisdommen.